| Citaat
uit |
|
![]() |
||
|
DE KOMST VAN GUATTARAL Achtergrondinformatie Sir Walter Raleigh
|
|
Links van hem lag Tyburn, dat klopte gelukkig. Vroeger een beruchte gevangenis voor katholieke spionnen en priesters, had Warren verteld. Hij slenterde verder en plotseling bevond hij zich aan de Thames. Elegante boten gleden in de richting van Westminster. Hij staarde naar het silhouet van London Bridge. Aan de andere kant daarvan lag Southwark, waar volgens de waard de postkoets naar Deptford vertrok. De tonen van een luit vloeiden uit een raam boven hem. De melodie werd krachtig ingezet, maar was ondanks de welluidendheid traag en verdrietig. Robin had nog nooit zoiets moois gehoord. Het leek een beetje op de ballades die vroeger op Kerstavond werden gezongen als ze gedroogde appeltjes met kaneel kregen, ronde schijfjes met een gat erin. Maanden hingen die op stokken geregen aan de vliering, maar met Kerstmis... De muziek zweefde door het steegje. Robin bleef genietend staan. Kaneel... Teunis. Hoe zou het met hem zijn? Hij merkte dat hij met de stroom van de menigte meeging, naar de grote zeeschepen verderop langs de Thames, omgeven door kranen en bundels. Of werd hij daar naartoe getrokken? Hij stond stil en snoof de geur van de rivier op. Tussen de opgestapelde ladingen liep iemand, op het randje van de kade, omgeven door de schittering op het water. Robin kneep zijn ogen dicht. Piekend, grijs haar. De bewegingen kwamen hem bekend voor. Toen de man zich omdraaide wist hij het zeker. Het was Warren Haigh! Wat deed zijn vader bij de Zeevogel en de Vleermuys? Beide schepen kwamen uit Flushing. Vlissingen, zeiden ze in de Lage Landen hoewel het vooral een Engelse haven was. Van het achterste schip fladderden de zeilen omdat het nog maar net was aangekomen. Het krioelde van het scheepsvolk dat bezig was de massa zeildoek op te binden. Op de kade liep Warren met zijn onmogelijk lange lijf de sjouwers in de weg. Nee, hij sprak ze aan, hij vroeg ze iets. Ze wezen naar het pas aangekomen schip en zijn vader marcheerde notabene de loopplank van de Vleermuys op en verdween uit het zicht! Wat was die van plan? En het duurde maar... hij kwam niet terug. Wacht eens.... Nu werd Robin zelf door opwinding gegrepen. De pinas, waarop de Hollanders een eind de Orinoco op waren gevaren, heette toch ook de Zeevogel? Zou hij... Hij kon het proberen! Misschien zouden ze daar iets over Teunis weten! En anders kon hij het de bemanning van het andere schip vragen. Je wist maar nooit. Met een sprong was hij op de kade. Als Warren hier rondzwierf, kon Robin zijn tijd ook nuttig gebruiken! ‘Hé, bootsman!’ riep hij naar een mager mannetje. Die voelde zich duidelijk gevleid. ‘Die... daar!’ antwoordde hij in halfbakken Engels. Hij wees naar een andere man, die - gedrongen en onbegrijpelijk pratend met felle gebaren - nog net boven de reling uitstak. ‘Bootsman!’ riep Robin nu omhoog, nadat hij een paar meter verder was gelopen. De gedrongen man keek vluchtig omlaag. ‘Kent u een scheepsjongen, Teunis, uit Brielle?’ Er kwam geen antwoord. Het onbegrijpelijke gesprek werd voortgezet. ‘Teunis, een scheepsjongen die op de Zeevogel naar de West is gevaren!’ ‘Ik ken geen jongen met die naam,’ riep de man onwillig terug. ‘Misschien een andere Zeevogel?’
Robin wachtte tot hij voorbij was en volgde hem. Zijn vader ging twee nauwe steegjes door en stak een drukke straat over. Bij een marktpleintje ging hij linksaf en toen twee keer rechts. Verdraaid, De Berenkop ! Was het al zo laat? De kroeg waar ze hadden afgesproken! Warren Haigh duwde de deur open en ging naar binnen. Robin drentelde nog wat rond terwijl grijszwarte duiven, die blijkbaar gewend waren restjes te krijgen, tussen zijn verfomfaaide laarzen pikten. Geen enkele aanwijzing over Teunis; bovendien had hij het beste deel van de dag laten verlopen. Nieuwe laarzen? Nee, dat had hij nog niet in orde gemaakt. Wat had hij dan gedaan? Gewoon, rondgelopen... Terneergeslagen ging hij nu ook het drinklokaal binnen. Het was er schemerig en druk. De geur van hopbier kwam hem tegemoet. Warren Haigh zat achterin met een groot glas goudgele drank, in een opperbeste stemming. ‘Ha, kom erbij.’ Hij trok Robin neer en keek hem glimlachend aan. ‘Heb je die leermaker gevonden?’ Robin tilde als antwoord zijn opgelapte laarzen op. Zijn grote teen stak er bijna uit. ‘Ben je de weg kwijtgeraakt?’ vroeg zijn vader. Hij klonk meteen ongeïnteresseerd en nam een slok bier. ‘Nee, ik heb in deze stad heel wat zien gebeuren.’ ‘Oja? Wat dan: vertel!’ ‘Een man in de haven,’ zei Robin. Warren reageerde niet. ‘Hij leek verdomd veel op mijn vader,’ vulde hij aan. Nu keek Warren verbluft op. ‘Ben je mij gevolgd?’ Robin haalde zijn schouders op. De verbazing van Warren maakte plaats voor ergernis. ‘Had je niks beters te doen?’ zei hij afgemeten. Het leek Robin beter om nog wat langer te zwijgen. ‘En ik had zulk goed nieuws,’ probeerde zijn vader van onderwerp te veranderen. ‘Ik had heel veel te vert ellen , wil je dat nog weten of niet?’ ‘Jazeker!’ ‘Wat deed je dan daar?’ ‘Waar?’ ‘In de haven!’ ‘Het was toeval,’ zei Robin boos. Warren moest hem antwoord geven in plaats van omgekeerd. ‘Vertel nou maar.’ ‘We gaan het winnen.’ ‘We...wat?!’ ‘Winnen! Ik heb toch gezegd dat advocaten heel precies zijn, als op de rechten van de oudste zoon aankomt!’ Warren hief het glas triomfantelijk omhoog en nam toen drie slokken achter elkaar. Daarna stak hij Robin het bier toe. ‘Wil jij ook? Ik ga meer halen, we hebben wat te vieren.’ We gaan het winnen! Het zong in Robins hoofd. Hij greep zijn vader bij zijn pols. ‘Echt?’ ‘Ja,’ bevestigde Warren nadrukkelijk. Hij nam het glas over in zijn andere hand en hield het onder Robins neus. ‘Hier!’ Maar Robin duwde het glas weg, sprong met een juichkreet op en liet zijn beide vuisten op de tafel trommelen, zodat de mannen in de buurt verbaasd opkeken. Warren zat erbij te lachen. ‘Helemaal?’ ‘Met aftrek van de kosten natuurlijk. De formele afhandeling duurt nog even, maar Colin Backwell wordt vandaag opgehaald en vastgehouden totdat het geld aan mij is terugbetaald. Al het geld van mijn broer zaliger.’ ‘En als hij het heeft opgemaakt?’ ‘Hij heeft onroerend goed in Salisbury.’ Robin keek zijn vader vragend aan. ‘Hij zal huizen moeten verkopen. Bovendien heeft hij verschillende leningen uitstaan die verzilverd kunnen worden.’ Nu werd Warrens gezicht ernstiger. Hij wachtte totdat Robin was gaan zitten. ‘Ja, ik wil bier!’ ‘Of samen een fles Granary-wijn? We hebben geld!’ Geld.... Het was zo onwezenlijk. Hij keek in de gespannen grijsblauwe ogen van zijn vader. ‘Goed!’ Warren baande zich een weg door een groep luidruchtige bezoekers. Robin zat heel stil en rechtop. Wat kon het schelen dat zijn vader in de haven was? Hij dacht aan Mary, Jem en William. Nu werd er zoveel mogelijk! Zijn vader kwam terug met een mooie fles en twee glazen op steeltjes. Plechtig schonk hij in. ‘Wat zal Percy blij zijn!’ ‘Ja,’ zei zijn vader. ‘Nieuwe kleren, nieuwe laarzen,’ somde Robin op. ‘U ook. En dan naar Jem.’ ‘Als een bemiddeld man,’ bevestigde zijn vader. Even leek zijn plezier wat minder te zijn. ‘Robin...’ Hij hief zijn glas en zijn vader volgde zijn voorbeeld. ‘Op Sir Slingsby!’ ‘Nee, op de advocaat. Die heeft het voor elkaar gekregen. De man van de wet.’ ‘Oom Andrew.’ ‘Goed, op mijn broer zaliger, oom Andrew.’ De glazen tinkelden tegen elkaar. Hij hield de fluweelzachte vloeistof lang in zijn mond voordat hij het door zijn keel liet glijden. Wijn. De drank van Sir Walter. ‘Weet je wat ik in de haven heb gedaan?’ vroeg zijn vader. Hij zag er tevreden uit, dacht Robin. Het moest wel iets goeds zijn. ‘Nou?’ ‘Ik heb woord gehouden, toch? Ik heb Sir Slingsby honing om de mond gesmeerd en de erfenis teruggehaald. We zetten het vast op jouw naam, dan kun jij later een werkplaats overnemen op de Koninklijke Scheepswerven van Deptford. Je moeder krijgt een kleine jaarlijkse toelage, jij zorgt voor Percy en Jem. Je bent trouwens ook weer voogd. Het geld is van jou.’ ‘Waarom?’ vroeg Robin. In zijn achterhoofd bleef het woord ‘voogd’ zachtjes hameren. ‘Waarom is het geld niet van u? U bent de rechtmatige erfgenaam.’ ‘Ik heb er afstand van gedaan ten gunste van jou. Dat ben ik jullie verschuldigd.’ Voogd... Een weeiig, zwaar gevoel dat hij niet weg kon zuchten, drukte op zijn buik. Waarom had Warren zelf niet... Het zware gevoel drukte zijn middenrif omhoog. ‘En u dan?’ vroeg hij. In een flits zag hij weer de lange gedaante op de loopplank van het schip met de fladderende zeilen. ‘Wat gaat u dan doen?’ ‘Ik heb aangemonsterd op een schip naar Guiana.’ Een suizend geluid plantte zich voort vanuit zijn oren. Hij had het vast verkeerd gehoord. Aangemonsterd... wat? Zijn hoofd bonsde. ‘Ik ga terug,’ hoorde hij. ‘Nog niet meteen, de Vleermuys vaart pas over twee weken. Natuurlijk gaan we eerst Jem opzoeken.’ ‘Terug...’ herhaalde Robin langzaam. ‘Ja. Terug naar Guiana.’ ‘Naar... hoe heet hij ook al weer?’ Zijn stem sneed door de bierlucht; hard en scherp voelde hij zich, nu hij begreep waar zijn vader mee bezig was geweest - al deze weken! ‘Guaiquiriquiri,’ zei zijn vader rustig. Robins ademhaling deed vreemd aan in de koepel die om hem heen was komen hangen. Dit kon niet, dacht hij; net nu hij weer op de goede voortgang begon te vertrouwen. ‘Onverantwoordelijk,’ bracht hij tenslotte uit.‘U laat ons gewoon weer in de steek!’ ‘Nee,’ zei Warren onmiddellijk. ‘Ik laat je niet in de steek. Ik zit tegenover je. Ik ben met je meegegaan naar Engeland. Guaiquiriquiri heb ik in de steek gelaten. Dat was ik jou verschuldigd omdat ik jullie vroeger achtergelaten heb. Maar nu kan ik weer gaan. Je hebt de middelen om je wensen te verwezenlijken en om je moeder te steunen. En genoeg om Percy en Jem te helpen.’ ‘Mijn moeder hoeft niet gesteund te worden!’ riep hij kwaad. Meteen zag hij twee mensen voor zich op het pad bij de zee, roerloos tegen elkaar aan. Zou Mary toen hebben gezegd wat ze ook tegen Robin had gezegd? Had ze zijn vader... afgewezen? Misschien was daar het belachelijke voornemen van Warren ontstaan, om terug te gaan naar Guaiquiriquiri? ‘In ieder geval hebben jullie nu geld,’ zei de zware stem. ‘Maar het gaat niet alleen om geld!’ smeet Robin zijn vader voor de voeten. Hoe was het mogelijk dat die zoiets belangrijks niet had begrepen? Het was even stil. ‘Dat is waar,’ gaf Warren toe. ‘Misschien heb je het niet gemerkt; maar ik ben niet alleen voor die erfenis met je meegegaan, terug naar het noorden.’ Robin boog het hoofd. Herinneringen aan de Destiny, deinend in de Golf van Paria, kwamen boven. Herinneringen aan het verdriet van zijn vader toen Guaiquiriquiri verdwenen was, aan de gesprekken die ze tijdens de zeereis voerden, aan de opstand en hun zorgen om Sir Walter. ‘Akkoord, u bent inderdaad mijn vader geweest voor een half jaar.’ ‘Niet zo cynisch,’ fluisterde Warren, wiens grijsblauwe ogen zich in de zijne boorden. ‘Zo is het toch?’ Zijn vader ging rechtop zitten, de lijnen in zijn gezicht verscherpt. ‘Zo is het, als jij het zegt.’ De mannen rondom hen waren niet meer dan schimmen. Robin raakte de wijn niet meer aan en was ook niet van plan om nog iets te zeggen. Hij vond dat hij gelijk had: zijn vader was toch een man waar je niet op kon rekenen. Juist nu hij eraan gewend was geraakt om iemand te hebben aan wie hij raad kon vragen; om zichzelf bij te zijn, om mee te praten. Warren Haigh strekte zijn benen en dronk zijn glas leeg. Daarna bleef hij voor zich uit zitten kijken naar het glas in zijn hand. ‘Ik heb heimwee naar ginds,’ zei hij na lang stilzwijgen. ‘Het is niet alleen Guaiquiriquiri, ik verlang naar...’ Nou nog mooier, dacht Robin. Heimwee! Het brandende, boze verlangen in zijn eigen borst duwde hij weg. Guiana. Teunis. Een heel ander leven. Geen anderen om voor te zorgen. ‘Ik herinner me steeds vaker het gevoel van evenwicht dat ik daar had,’ zei Warren intussen. ‘Dat heb ik hier niet. Ik zie het dorp van de Wiquiri voor me, met het ronde godenhuis dat ze met z’n allen gebouwd hebben op een aarden wal en belegd met riet en droge bladeren. Dat gemeenschappelijke, dat mis ik hier. De vanzelfsprekendheid. Daar doet niemand gewichtig... Er is geen misplaatst gezag. Iedereen heeft gezag. Iemand die opperhoofd is - de cacique, Robin, die herken je nergens aan. Misschien een of andere zeldzame veer of een raar hoedje dat hij heeft gevonden, meer niet. Hij doet zich niet belangrijker voor dan hij is, want er is vertrouwen tussen de mensen. Op het schip van Sir Walter hing zo’n geladenheid, die spanning was nauwelijks te dragen. Jij bent eraan gewend natuurlijk. Maar ik wil er niet aan wennen. Ik wil daarginds aan de oever van de Guanipa zitten, en naar de kleine kinderen kijken die door niets en niemand worden belemmerd; die de gevaarlijkste dingen in hun spel opnemen zonder dat er een ongeluk gebeurt. Kinderen die zingen en lachen en nooit hoeven te jengelen, zoals hier.’ ‘O, dus u vindt dat wij jengelen ?’ De onbetrouwbare man die daar zat, moest opdonderen. Zo snel mogelijk. Warren zette het glas neer en legde zijn handen op tafel. ‘Nee, begrijp me niet verkeerd. Wij leven zo anders in Engeland. Vroeger heeft mijn handelwijze gevolgen gehad voor vijf kinderen. Jij, Percy, Jem, Luellin en William. Daarom ben ik terug gekomen. Ik moest dat goedmaken. Maar het was niet wat ik het liefste wilde. Ik wilde bij Guaiquiriquiri blijven.’ Robin keek hem ongelovig aan. Moest hij zich ook nog een schuldgevoel laten aanpraten? ‘Natuurlijk wilde ik jou ontmoeten toen ik eenmaal wist dat je naar me op zoek was,’ ging Warren voort. ‘Ik wilde je in de ogen zien. Ik dacht, als Robin, mijn oudste, eenmaal heeft begrepen wie ik ben, dan zal hij ophouden naar me te zoeken. Maar toen kwam je aan, met Keymis, met Hugh die zijn gezin achtergelaten had, met je erfenisproblemen. Alles knaagde aan me. Ik raakte in verwarring en Guaiquiriquiri voelde dat. Hij is verdwenen om het mij niet moeilijk te maken. Nu ben ik hem wat schuldig.’ ‘Hij heeft u allang niet meer nodig!’ schreeuwde Robin. Dat larmoyante gedoe van zijn vader hing hem de keel uit. Hij wou dat die man wat van zijn leven maakte, hier in Engeland. Een gewone vader met een gewoon beroep in een gewoon land. Warren haalde diep adem. ‘En toch wil ik naar hem toe.’ Een nieuwe gedachte kwam bij Robin op. Vaag wist hij dat hij die gebruikte om iets anders af te dekken. ‘Dan wil ik dat u nog één ding voor mij doet!’ zei hij kalm en koud. Dat hij nog eens zo’n toon tegen zijn vader aan zou slaan. Hij slaagde erin z’n woede binnen te houden, dit was belangrijk. ‘Als u terug bent in Guiana, ga dan ook naar Morequito.’ Een geamuseerde blik verscheen in Warrens ogen. ‘Voor die Hollander, die Teunis?’ ‘Ze gingen met een kano door de stroomversnellingen van een zijrivier, de Caroní. Daarachter was onbekend land. Misschien leeft hij niet meer, maar ik wil het weten. Op dat schip uit Flushing kunnen ze me niks vert ellen .’ Opeens sloeg hij tegen zijn voorhoofd. ‘Het was niet de Zeevogel, maar de Zeeduivel! ’ ‘Wat bedoel je?’ vroeg Warren. ‘Het Hollandse schip dat op de Orinoco lag te wachten, heette de Zeeduivel! De Zeeduivel, niet vergeten.’ Hij pakte zijn vaders pols. ‘Doet u dat voor mij. Ga terug naar Morequito en vraag waar Teunis is gebleven. Ik moet weten of de Zeeduivel met Teunis is teruggekeerd naar Holland.’ ‘Best.’ Robin leunde moe achterover. Het knagende, boze gevoel was er nog. ‘Hoe moet ik het uitleggen?’ begon Warren weer terwijl hij over zijn gezicht wreef. ‘Als ik hier in Londen wakker lig, hoor ik niet de geluiden van de herberg. Ik hoor het nachtelijk gekwaak van regenkikkers en het zuigen van de wind aan de toppen van de bomen. Ik hoor het gebrul van de aanstormende regens en het knappen van lianen. Dan is het opeens weer helder, doodstil. Ik zie jonge schildpadjes wegkruipen, en lange slierten grijs mos die onheilsp ellen d heen en weer slingeren. Dan barst het onweer los. In een paar uur verandert de Guanipa in een razende stroom vol boomschors en brokken aarde. Een boom valt kreunend naar beneden en sleept klimplanten en orchideeën met zich mee, terwijl kleine aapjes krijsend opzij vluchten. Luchtwortels zwaaien wild in de wind. Ik zie rode vlinders onder bladeren schuilen. Kletsnatte bloemen...’ Hij hield op, alsof hem nu pas duidelijk werd dat Robin hier niets aan had. ‘Door hierheen te reizen is het me allemaal zo duidelijk geworden,’ zei hij ongelukkig. ‘Hier zie ik verwaarlozing, onverschilligheid. Op de pleinen en straathoeken van Londen staan kinderen te bedelen om eten. Je hebt het zelf gezien. Het is een verschrikkelijk gezicht.’ ‘Het scheelde weinig of wij moesten ook bedelen om eten,’ zei Robin. Hij moest het zeggen en zijn vader ineen zien krimpen. Dat deed hem goed. ‘Dat weet ik. Juist daarom!’ Warren wrong zijn handen zonder het zelf te merken, de vreemde beweging die Robin al vaker bij hem had gezien. ‘Ik heb jullie tekort gedaan. Dat wou ik niet, maar het is wel gebeurd. Ik weet hoe het is en het maakt me wanhopig dat het allemaal zo doorgaat.’ Robin hoorde het gelach van de mannen bij de tap. Zoveel verschillende ervaringen in één ruimte, dacht hij. Niemand die daarbij stilstond. Niemand had overwicht op de man die hier zat; die deed toch zijn eigen zin. Een vent zonder verantwoordelijkheid, dacht hij kil. Zijn vader zou immers niet meer van mening veranderen. Wat Robin ook zei, het maakte niets uit, hij deed er niet toe. Hij zou achterblijven, en dat terwijl hij zelf... Ja, er broeide iets in hem, gloeiende steenkolen met daaronder een woedende kracht. Het mocht niet naar buiten komen. Hij kneep zijn vuist om de steen in zijn broekzak. De gladde, zachtgroene steen. Sir Walter! Zou die zijn vader kunnen tegenhouden? Er ontstond een snelle beweging in zijn benen. Warren kwam overeind om hem tegen te houden maar hij was er al doorheen, beukend tegen schouders, glazen vielen in het schelpenzand op de vloer. ‘Hé daar! Kijk uit. Idioot!’ Het kon hem niets schelen. Terwijl hij naar buiten rende, de straat door, in de richting van de stadshuizen van de adel, liep er een kleine gestalte mee in zijn lijf. Het leek wel of die met de plotselinge beweging van het rennen naar boven was gekomen: een kleine jongen met groene ogen en donkere krullen. Hij kwam tot stilstand. Daar stond Robin, ontredderd en verwijtend; een kind dat gedwongen was overal op te letten. Een kleine jongen die zich altijd verantwoordelijk had gevoeld en jaloers was op iedereen die de vrijheid koos. Dat was het brandende gevoel, diep in zijn hart wilde hij zelf naar Guiana! Hij streek zijn weerbarstige haar naar achteren. Zo zat het. Daarom was hij zo kwaad op zijn vader.
‘Waar is Durham House?’ ‘Durham House?’ De man in de melkerij keek hem verbluft aan. ‘Het huis van Sir Walter Raleigh,’ voegde Robin ongeduldig toe. ‘Dat is bekend. Maar wat moet jij daar? Vandaag...’ De man keek naar zijn vrouw. Ongemakkelijke, strakke gezichten. De vrouw knikte. ‘Weet je dan niet...’ ‘Wat weet ik niet?’ Kom op, hij had niet de hele dag de tijd. ‘Dat Sir Walter Raleigh veroordeeld is? Hij wordt vandaag onthoofd.’ De man, de vrouw, de bussen melk en de flessen room, alles begon te draaien. ‘Veroordeeld?’ ‘Twee kapiteins die getuigen,’ zei de vrouw. ‘Het bloedbad van San Thomé.’ Wat wist zij daarvan? Robins benen werden dunne draadjes. Hij viel bijna. De man knikte. ‘Gek genoeg is er ook een andere beschuldiging. Hoogverraad?’ Hij keek vragend naar zijn vrouw. ‘Een oude kwestie. Samenzwering met Spanje.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Ze zeggen maar wat. Sir Walter Raleigh, die altijd Spanje’s grootste vijand is geweest.’ ‘Onmogelijk!’ ‘Hé, hé, kan het wat rustiger, jongen!’ Robin sleepte een fles room mee toen hij naar buiten stormde. Op straat stroomde dezelfde mensenmassa als eerder aan hem voorbij. Dit kon niet. Dit was onmogelijk. Mylord, veroordeeld? Vandaag.... Hij draaide zich om en stak de man van de melkerij, die boos naar buiten was gekomen, een paar munten toe. ‘Wat gebeurt er vandaag?’ vroeg hij hijgend. ‘Nou ja, de deuren van de Tower gingen om vijf uur open voor het publiek.’ ‘Publiek?’ Hij staarde naar zijn handen, de knokkels staken wit boven zijn vingers uit. ‘De executie is openbaar, beste vriend. Waar kom je vandaan dat je van niks weet?’ De vrouw kwam naar buiten terwijl Robin achteruit struikelde en zich tussen de voorbijgangers verborg. Verdoofd liep hij mee, totdat hij genoeg kracht had verzameld om na te denken. Waar was zijn vader? Die kon iets doen! Hij keerde zich tegen degenen die hem de weg versperden. Hij moest terug naar dat drinklokaal! Wringend en zwetend werkte hij zich dwars door de drukte heen, terug naar de Berenkop. Warren kwam meteen overeind toen hij hem zag. ‘Sir Walter!’ ‘Wat..? ‘Opschieten!’ Robin wist wel dat het geen zin had. Iemand als zijn vader had geen enkel gezag in de wereld waarin Mylord verkeerde. Maar hij kon niet anders dan zich haasten, en zorgen dat hij in de buurt van Sir Walter kwam, de beste werkgever die hij ooit gehad had. Hortend en stotend vertelde hij aan Warren wat hij zojuist had gehoord. Zijn vader werd asgrauw. ‘Dus het sloeg op hem, wat ik in Middle Temple heb gehoord!’ mompelde hij. ‘Hebt u wat gehoord? En u deed niks?!’ ‘Ik dacht dat het een of andere landverrader was.’ Zijn vader wankelde onder het lopen. Robin bleef staan en haalde uit. Hij sloeg Warren midden in zijn gezicht. En hij had nog wel gedacht dat zijn vader... in staat was iets te doen. Misselijk was hij ervan. De woede golfde op en neer in zijn maag, hij hield zich vast aan een vooruitstekende, met leeuwen gebeeldhouwde uitbouw van een handschoenenatelier. Het draaide en klopte in zijn hoofd. Te denken dat Sir Walter in de afgelopen maanden... Dat ze nu weken in de buurt waren geweest, en niks hadden gedaan! Dat hij op z’n gemak door Londen had gedwaald, bezig met zijn erfenis! ‘We gaan erheen.’ De tranen stroomden over zijn vaders gezicht. Of waren het zijn eigen tranen die Warren tot een wazige figuur vervormden? Het grote, zware gebouw doemde op. Mannen, vrouwen en kinderen, iedereen haastte zich naar de binnenplaats. De proclamaties waren al begonnen. Robin zag een wit hemd op het schavot, tussen in ‘t zwart geklede lords en gerechtsdienaren. Mylord! Zijn knieën verslapten. De gedachte aan de kaarsrechte gestalte van Sir Walter op de Destiny maakte echter dat hij bleef staan. Mylord snoof twee keer terwijl hij zachtjes tegen de voorste rijen sprak, dat viel Robin op. Precies zoals hij op de kampagne had gestaan, voordat ze op Newfoundland aan-kwamen. ‘Die spreekt goed,’ zei een man tegen een oude vrouw aan zijn linkerkant. Ze stonden verder naar voren, maar in tegenstelling tot Mylord waren ze allebei te verstaan. ‘De eeuwigheid geeft iemand vleugels,’ riep ze terug. Terwijl ze zich omdraaide keek Robin haar aan. Blijkbaar schrok ze van de uitdrukking in zijn ogen. ‘Jongen,’ zei ze. Toen richtte ze haar aandacht weer op Mylord die inmiddels knielde en zijn hoofd op het blok legde. “Nee!” schreeuwden wel twintig stemmen in Robins borst. Stilte, toen een klap. De bijl was gevallen. ‘Dit is het hoofd van een verrader!’ schreeuwde de beul, die het dierbare hoofd hoog ophief voor de menigte. Er ging een huivering door de mensenmassa heen. Mylord... mylord! Robin kreunde luid en viel op zijn knieëen. Toen hoorde hij een vertrouwde, zware stem die luid over de binnenplaats van de Tower riep. ‘Er zal nooit meer zo’n hoofd zijn, om af te slaan!’ De mensen keken opeens om. Begrepen ze hoe erg dit was? ‘Nooit meer!’ herhaalde Warren. Zijn lichte ogen bliksemden. ‘Nooit meer!’ Officieren en ambtenaren, lords en geestelijken haastten zich al van het plankier af, terug naar hun veilige deur. De menigte drong op, maar dat was uit nieuwsgierigheid. Langzaam liep de binnenplaats leeg. Robin en Warren bleven staan. De meeste mensen meden hen. Sommigen zeiden iets in het voorbijgaan, woorden die Robin niet belangrijk vond en ook niet verstond. Hij had Sir Walters laatste woorden niet eens kunnen horen.
|