Het Groene Gen

MESSIRE

DE KOMST VAN GUATTARAL
Brechtje
De Zoon van de vuurgeest
Robin

HET GROENE GEN

JEANNE D'ARC

HET ZWARTE SCHIP

VERBODEN VRIENDSCHAP

CURSUSSEN OP MAAT

OVER ELS LAUNSPACH

PERS

 

 

 

Aan het begin van de oude zeeweg staat de enige rode eik van onze archipel. Als de zon fel schijnt lijken de bladeren gitzwart. De bomen erachter staan in een flauwe boog die in struikgewas verdwijnt; daar is de regelmaat verbroken. Dit kromme pad langs de zandverstuiving werd gebruikt om vis van zee naar de markt te brengen.

De anderen moeten al met de speurtocht begonnen zijn, ik mag wel opschieten. De porseleinen panter plakt in mijn hand. Waar zal ik dit monster verstoppen? Omdat er een Vlaamse gaai opvliegt - door wie of wat opge­schrokken? - valt mijn blik op een boom met een gat. Mooi, een holle boom. Ik tast naar de bodem van het gat en laat het beeldje erin zakken. Dan zie ik vanuit mijn ooghoek een beweging. Ik trek mijn hand terug en kijk nu beter. Die jongen daar maakt me bang.

Met een scheve grijns staat hij me aan te kijken. Achter hem begint het lichte zand van de zandverstuiving. Blonde krullen springen onder zijn vilthoed vandaan en vallen neer, in de wind lijken ze zijn voorhoofd te strelen.

‘Hallo zusje,’ zegt hij.

‘Hallo,’ zeg ik.

Die grijns is voor mij bedoeld. Voor mij, en niemand anders.

Hij komt dichterbij, raakt mijn elleboog aan en bekijkt me onderzoekend. Ik voel me niet onbehagelijk, integendeel. Die half verontschuldigende lach en die grijze ogen zijn er gewoon, daar hoef ik niets voor te doen. Langzaam durf ik wat kritischer te kijken. Waarom heeft hij zich zo mooi aangekleed? Romig beige, een dure stof, dat zie je zo. Een scherpe vouw in zijn bandplooibroek. De mode van twintig jaar geleden, en die was een revival van twee eeuwen terug. Heel elegant. Zijn hoed is een tint donkerder.

‘Ga je uit?’

‘Nee, zo ben ik altijd.’

‘Staat je goed.’

‘Dank je.’

Moet hij geen naam hebben? Hij is een mens van vlees en bloed. Ik zie toch zelf hoe hij op de rand van de duinpan staat, met zijn lichte jasje afgetekend tegen de regenwol­ken? Duko is een mooie naam.

‘Kom hier als je durft,’ lacht hij.

‘Ik?’

‘Ja, jij.’

‘Wat moet je?’

‘Jou.’

De uitdrukking op zijn gezicht wordt jongensachtiger, bijna verlegen. Dit past niet bij het jasje en de hoed. Nu is hij geen man van de wereld maar een straatjongen die zich mooi heeft aangekleed. Zijn handen zijn eigenlijk knuisten. De vingers zijn groot en stomp. Ik zie het begin van een baard op zijn wang.

‘Duko?’

‘Ja?’

‘Kom je voor mij?’

‘Voor wie anders?’

‘Ben jij mijn broer?’

Het blijft stil. De lach verdwijnt, zowel rond de mond als uit de ogen. Heb ik hem teleurge­steld? Hij denkt zeker dat hij zich heeft vergist. Maar dat is niet zo, natuurlijk is hij mijn broer, waarom zou hij daar anders staan? Ik zal hem zelf hebben opgeroe­pen en hij is gekomen. Niemand kan hem van me afpakken. Fantastisch!

‘Sorry,’ zeg ik. ‘Natuurlijk ben je mijn broer.’

Hij schraapt met zijn donkerbruine schoen over een polletje mos dat zich in het zand staande heeft weten te houden. Hij denkt na want zijn gezicht is een beetje gesloten. Dan kijkt hij op.

‘Het heeft uren geduurd voordat ik wist waar je was,’ vertelt hij. ‘Ik zat achter het stuur van mijn auto en was op weg naar huis. De bekende provinciale weg met de honderd stoplichten. Zoals gebrui­kelijk waren er voortdurend opstoppingen vlak voor de snelweg. Toen gebeurde er iets geks. Na het laatste stoplicht kon ik eindelijk doorrijden. Ik stoof onder het viaduct door en vanaf dat moment was de weg leeg... Dat had ik heel lang niet meer meege­maakt. De weg was zo leeg als op autoloze zondagen. Ik trapte het gaspedaal dieper in en wachtte tot het silhouet van onze stad aan de horizon zou verschij­nen. De hoge kantoren, de middeleeuwse poort met dat verloederde wijkje erachter. Dan nog drie stoplichten en ik zou er zijn.’

Waar heeft hij het over?

‘Maar die lege weg ging eindeloos door. Een lange baan van asfalt en vangrails, uren ver. Het silhouet van de stad verscheen niet. Griezelig. Alsof ik de enige levende ziel op de wereld was. De radio gaf steeds zwakker geluid. Ik kon de liedjes nog wel herkennen, maar het was of ik een tunnel in reed, waar de signalen niet doorkomen. Toch was er geen tunnel. De lucht was wijd en grijs boven de strakke snelwegen en viaducten. Was het steeds hetzelfde punt waar ik langs kwam? Ik wist het niet. Op een gegeven moment minderde ik vaart en probeerde stil te staan. Toen schrok ik nog meer.’ Hij schudt verbaasd zijn hoofd. ‘De auto bewoog niet meer, wel de wegen! Ik kon maar aan een ding denken: mijn zusje, mijn zusje, ik moet naar haar toe. Zij moet er nog zijn, dat weet ik zeker.’


Hij staat daar zo alleen; alle suggestie van superioriteit is verdwenen. Zijn jas wappert onderaan, waar hij is vergeten de knopen dicht te maken.

Ik knijp voorzichtig in zijn mouw. Hij is echt. Een verdrietig glimlachje glijdt over zijn gezicht. Hij is van zo ver naar me toe gekomen en dan wil ik weten of hij echt is? Dat zou mij ook kwetsen.

‘Uiteindelijk kwam ik bij een stad die ik niet kende,’ gaat hij verder. ‘Bij de kruising voegden twee andere auto’s in, ze gingen in dezelfde richting als ik. Geen tegenliggers. Ik zat doodstil in mijn auto. Totdat de weg, die nu een straat was, eindigde in een soort tramremise met alleen maar auto’s. Ik stapte uit. Op de een of andere manier wist ik dat er verder niemand meer was. Onze ouders, mijn vriendin, de jongens van mijn voetbalclub.... Vraag me niet hoe, iedereen was dood. Ik wist alleen dat jij er was. Daarom moest ik je vinden.’

‘Ik heb je geroepen.’

‘Zou kunnen.’

‘Is dat niet belangrijk?’

‘Nee. Wat gaan we doen?’

Hij schuift zijn hoed naar achteren en neemt de omgeving zorgvuldig in zich op.

‘Hier zijn geen auto’s,’ zei ik.

‘Niets dat me bekend voorkomt,’ mompelt hij. ‘Alleen jij.’

‘Hoe weet je dan dat ik het ben?’

‘Stel niet zulke domme vragen.’

De lijnen om zijn mond zijn dieper geworden. Hij heeft zijn wereld verloren, ik niet. Ik heb er een broer bij.

‘Lieve Duko,’ begin ik.

‘Zie je wel?’

‘Wat?’

‘Je weet meteen dat ik Duko heet.’

Is het dan zo eenvoudig? Ik grijp zijn hand en vouw die open, de stompe vingers krullen terug, maar uiteindelijk geven ze mee. Als de hand glad is, de palm naar boven en de vingers uitgestrekt, lijkt hij een zeester. ‘Duko,’ zeg ik schor.

‘Klein zusje.’

‘Siblings bestaan niet meer, dat moet je wel weten.’

‘Wat bestaat niet meer?’

‘Broers en zussen.’

‘Ik snap er niets van,’ mompelt hij. ‘Wat zeg je nou?’

‘Sibling! Dat betekent broer of zus in het Engels, weet je dat niet?’

‘We hoeven hier toch geen Engels te spreken.’

‘Maar we spreken nu Engels!’ roep ik uit.

‘Niet! Hoe is dat mogelijk!’

We staren elkaar aan, ik begin te trillen. Wat gebeurt er?

‘Duko, iedereen spreekt Engels hier.’

‘Maar we zijn toch in Holland?’

‘Ja…’

‘Ik reed door Noord-Holland al die uren.’

‘Kan zijn, maar de hele wereld spreekt Engels, jij en ik dus ook.’

Hij kijkt zo ongelovig. Het is toch echt waar. Uit welke tijd komt hij eigenlijk?

‘Hoelang heb je me niet gezien?’ probeer ik voorzichtig.

‘Zes jaar.’

Ik denk aan de lege snelwegen. Anderhalve eeuw geleden waren er zulke wegen, maar dan vol claxons en motoren. Het moet angstaanjagend voor hem zijn geweest om zo’n lange, stille reis te maken.

‘Wat zei je nou over die ….siblings?’

‘Hier zijn geen broers. Geen zusjes.’

Zijn ogen worden alweer groot maar ik geef hem geen kans. ‘Geen families, geen gezinnen. We zijn allemaal hetzelfde: afkomstig uit een buisje en geboren in speciale klinieken. We zijn vrij, los van het verleden. Onze genen zijn gemodificeerd.’

‘Hè?’ barst Duko uit. ‘Waar zijn jullie mee bezig?’

‘Een radicaal andere maatschappij waarin iedereen vrij en gelukkig is. Geen familiegedoe, geen familiebezit, geen huwelijken, geen erfenissen, geen rechtszaken. Geen verwarring over je oorsprong, want ook de tussenfase van draagmoeders zijn we allang voorbij. Sommigen zijn ook geen man of vrouw.’ Zoals Mimi. ‘Iedereen is van zichzelf,’ voeg ik toe.

‘Wacht!’ schreeuwt hij. ‘En wij dan, wij horen bij elkaar. Hoe kunnen we dat dan weten?’

Ik haal mijn schouders op. Als hij maar blijft.

Hij pakt de hoed van zijn hoofd en zet hem tegen zijn borst. Hij vouwt zijn arm erover heen, alsof hij zichzelf wil stutten.

‘Ik had er geen idee van dat het zo zou zijn,’ mompelt hij voor zich uit. ‘Wij waren toch heel gewoon, thuis. Weet je dat niet meer? Onze ouders zijn heel gewoon.’

‘Wij hebben een verzorger,’ leg ik uit, ‘en zodra je twaalf bent een begeleider. Daarna kun je nog een coach krijgen, maar dan is het op.’

‘Dus volgens jou ben ik je broer niet?’

‘Jawel, zeker wel!’

‘Hoe oud ben je dan?’

‘Veertien.’ Terwijl hij daar nog over nadenkt gooi ik het eruit. ‘Ik denk dat ik jou heb opgeroepen. Maar jij hebt mij ook gezocht, daarvoor al. Ja toch?’

Hij knikt. Wat een dierbaar gezicht, denk ik. Wat hou ik van hem!

‘Natuurlijk ben je mijn broer, Duko. Maar je mag dat nooit zeggen. Nooit.’

 


Terra-Lannoo Uitgeverij, 2005