Citaat uit
Jeanne d'Arc
Hoofdstuk 2

 

De Reis naar de Kroonprins

MESSIRE

DE KOMST VAN GUATTARAL
Brechtje
De Zoon van de vuurgeest
Robin

HET GROENE GEN

JEANNE D'ARC

HET ZWARTE SCHIP

VERBODEN VRIENDSCHAP

CURSUSSEN OP MAAT

OVER ELS LAUNSPACH

PERS

 

 

 

Ze verlangde dagelijks naar haar ouders in Domrémy. Haar vader had een keer van haar gedroomd, hoog te paard, aan het hoofd van een troep soldaten. Als gevolg van die droom had hij drie dagen een slecht humeur gehad. Jeanne was bang dat hij haar nu zou verstoten, als hij van oom Durand hoorde hoe het zat. Een meisje diende zich verre te houden van het manvolk in de stad en op de wegen. Een meisje dat zich daar waagde had zich al gauw een reputatie verworven van soldatengriet. En inderdaad was Jaquot d’Arc zich rotgeschrokken toen hij na een week Durand voor zich zag staan, zonder Jeanne. En toen Durand hem het hele verhaal verteld had, bulderde hij van schrik en ergernis. Zijn dochter! De enige dochter die hij overhad en die op de boerderij hard nodig was, hoe kon zij haar moeder in de steek laten, die al zoveel verdriet had! En dan de mannenzaken waar Jeanne zich mee bemoeide..

Domrémy, het dorp langs de Maas waar Jeanne opgroeide.

Het had lang geduurd, dat gesprek tussen Durand en Jaquot. Isabelle had er met gebogen hoofd en zachtjes huilend bij gezeten. Toch was het Isabelle die de verstandigste woorden sprak. En langzaam was Jaquot onder de indruk van de gebeurtenissen geraakt, en voelde hij zijn liefde weer voor zijn Jeanne, die nu ver weg en onbereikbaar was.

Hoewel er, met één zoon in het leger en twee weggevallen dochters niemand op de boerderij gemist kon worden, nam hij zich in stilte voor er iets op te bedenken. Misschien konden Jean en Pierre, die waarschijnlijk binnenkort toch voor het Franse leger werden opgeroepen, hun zuster opsporen en helpen. Het was een aangeslagen Jaquot d’Arc die langzaam weer naar zijn werk in de stallen liep. Zijn Jeannette. Wat een dochter!

Ondertussen probeerde Jeanne in Vaucouleurs niet ongeduldig te zijn. Dat was moeilijk, want ze wist dat nu elke dag telde in het grote spel dat om Frankrijk werd gespeeld. Elke dag bogen er dorpen en steden voor de vijand, iets wat kon worden voorkomen als de dauphin eindelijk in beweging kwam. Er ging een week voorbij, en nog een. Totdat Jean de Metz weer verscheen en uit de verte al riep: ‘Jeanne, we kunnen vertrekken! De dauphin wil je spreken!’

Jeanne stond even sprakeloos. Ze spreidde haar armen uit, keek verrukt naar de hemel en juichte zo hard dat Catharine en haar man bezorgd kwamen aanlopen. ‘Morgen gaan we weg,’ vertelde Jean de Metz toen Jeanne van de blijdschap bekomen was. ‘Ik heb de reistas van Jeanne klaar, en hier is een stel mannenkleren in haar maat. Catharine, kun jij Jeanne helpen met haar haar; ze moet er uitzien als een jongen!’

Binnen een uur waren Jeannes vlechten afgeknipt, en had ze een prachtig pagekopje. Ze wist niet dat Catharine de vlechten mee naar binnen nam en ze altijd bewaard heeft. De wagenmaker vond het belachelijk dat Jeannes haren werden afgeknipt. Hoofdschuddend en mopperend verdween hij in zijn loods. Hij heeft Jeanne niet meer gezien, want die avond at ze met Jean de Metz en zijn vriend Bertrand de Poulengy in een aparte kamer van de herberg. Samen met de koerier van de dauphin, die tevens nieuws had gebracht over een nieuwe nederlaag in de Auvergne, was de route uitgestippeld van Vaucouleurs naar Chinon. Driehonderd mijl rijden! Ze zouden er meer dan een week over doen en daarbij ook langs troepen van de vijand trekken; daarom zou de reis na een paar dagen ‘s nachts en met omwikkelde hoeven worden voortgezet. En op een bed hoefde Jeanne ook niet te rekenen. Na de eerste overnachting in een bevriend klooster zouden ze meermalen bij het vuur op de grond moeten slapen. Het zou Jeanne bepaald niet meevallen. ‘Gelukkig dat je een boerendochter bent, zei Bertrand de Poulengy, ‘dan ben je een beetje gehard. En rijden kun je natuurlijk al, dat scheelt ook.

Jean de Metz keek snel naar Jeannes gezicht. Hij wist niet zo zeker of ze wel eens een paard had gezeten. Maar Jeanne zag er vastberaden en vrolijk uit, ze liet niets merken. Ze was blij dat Jean en Bertrand met haar mee zouden gaan, en ze genoot van haar vermomming. Wie had gedacht dat zij met mannen in een herberg zou zitten praten en eten, alsof ze een van de soldaten was.

Catharine en Jeanne spraken lang die avond, terwijl de wagenmaker al sliep en Catharine ging rillend naar bed. Ze was ontroerd door het meisje uit Domrémy, dat zulke grootse plannen had en ze nog uit ging voeren ook! Ze voelde dat ze Jeanne nooit zou terug zien, en dat het meisje veel zou meemaken. Catharine sliep nauwelijks. De volgende ochtend, lang voordat het licht werd, stond ze op en maakte proviand klaar. Zachtjes kuste ze Jeanne, en duwde haar de deur uit. En daarna liep ze naar de zuidelijke poort, terwijl Jeanne zich met haar begeleiders klaarmaakte om de stad uit te rijden. De zon kwam op, koud en bleek. Bij de stadsmuur stond Catharine te zwaaien naar een klein groepje mannen die hun paarden nauwelijks in bedwang konden houden omdat de dieren de velden roken. De poort ging open, en daar reden ze weg. En de jonge page aan het hoofd zwaaide terug naar Catharine totdat zij bij de bocht van de weg verdwenen was.

Het was de ochtend van twaalf februari 1429; de bomen waren berijpt en het had stevig gevroren. En Jeanne reed voor het eerst van haar leven op een paard, soms met haar tanden op elkaar geklemd. Ze kon de wereld wel goed overzien, zo hoog; ze keek over de heggen en langs de schuren naar de horizon. Jean en Bertrand voerden het tempo slechts langzaam op omdat ze al gauw zagen dat Jeanne hard moest werken om op het paard te blijven zitten. Toch moesten ze het klooster van Saint Urbain halen waar ze die nacht konden slapen. Dus toen Jeanne die avond van haar paard afgleed, deed alles pijn aan haar achterste, haar benen en haar rug. Maar ze zei niets. Ze at wat brood en dronk aangelengde wijn, en ging meteen naar bed.’

Oma Belle zweeg; ze keek naar Gerard die een en al aandacht was. Het stripboek lag vergeten op de grond.

‘Maar de volgende dag, oei, de volgende dag. Jeanne is op dat paard gekomen en heeft de hele dag gereden, maar ze beet haar lippen stuk. De derde dag was ze er doorheen. Daarna zat ze te paard alsof ze met het dier vergroeid was.’

‘En geen schermutselingen?’

Do wilde niet dat Belle stopte. Ze wist dat het bedtijd was. ‘Schermutselingen? Wat zeg je dat mooi. Heb je dat pas ergens gelezen?’ Oma Belle stond op.

‘Hou je kop. Do, laat oma vertellen.’

‘Maar ik vertel niet verder. Jullie moeten naar bed.’

‘Ik nog niet!’ Gerard zat haar aan te kijken met fonkelende ogen. ‘Hoe laat komt Walter eigenlijk thuis?’

‘Weet ik veel. Heeft hij niet gezegd.’

‘Nou, dan zijn we mooi in de aap gelogeerd,’ zuchtte Belle. ‘Weet je wat, ik vertel door tot de ontmoeting van Jeanne met de dauphin. Dan gaan jullie allebei zonder mopperen naar bed, en je verklapt het morgen niet aan je moeder. Gerard, heb jij een telefoonnummer? Hoe heette dat vriendje van Walter?’

‘Weet ik niet.’

‘Wat heb ik nou aan jou.’ Belle ijsbeerde heen en weer. ‘Jullie vader komt over een uurtje thuis, stel dat Walter er nog niet is. Hij kan me straks wel schieten.’

Zuchtend ging Belle weer zitten. Ze legde haar voeten op de tafel en stopte een kussen achter haar rug. En ze draaide een shagje. Gerard en Do keken elkaar glimlachend aan en waren muisstil. Ze hoorden de auto’s voorbij rijden in de straat, totdat Belle weer begon te spreken.

‘Hebben jullie een atlas hier in huis?’ vroeg ze.

Do en Gerard schoten overeind. De atlas stond in de werkkamer van hun moeder, en was in een mum van tijd gehaald. Ze sloegen hem open op de kaart van Frankrijk.

‘Zo zullen ze gegaan zijn, ongeveer . . .‘ zocht oma Belle met haar vinger. ‘Over de Marne, en bij dat dorpje over de Seine. Dan langs Auxerre, dat in Engelse handen was. Gien . . . aan de Loire. Daar konden ze weer gewoon reizen. En na nog drie dagen stopten ze in Fierbois, waar Jeanne beslist de kerk van de heilige Catharina wilde bezoeken. Tegelijk werd besloten dat de koerier van de kroonprins alleen door zou gaan naar Chinon, dat nog drie uur rijden verder was. Hij zou daar de komst van Jeanne aankondigen, om zeker te weten dat de dauphin haar nog steeds wilde ontmoeten. Niet dat Jeanne door iets of iemand tegen te houden was; maar dit leek Bertrand en Jean beter omdat ze zich onzeker voelden over de ingewikkelde regels aan het hof.

(...)

Verfilming van Jeanne la Pucelle in 1994 door Jacques Rivwette met in de hoofdrol Sandrine Bonnaire

‘In Chinon stonden groepjes mensen langs de straten. Het gerucht ging dat er een dapper boerenmeisje in aantocht was, dat de dauphin wilde spreken. Zoiets was ongehoord. En nog ongehoorder was datgene wat ze met eigen ogen zagen. Dat meisje viel nauwelijks op tussen de mannen die haar begeleidden. Haar haar was kort. Ze droeg mannenkleren!

En tot Jeannes verbijstering ging de poort van dat enorme kasteel, met tuinen zo groot als ze nog nooit gezien had, niet open. De mannen kregen opdracht het meisje naar de herberg te brengen. Een audiëntie bij de dauphin, dat ging niet vanzelf. Ze zou enkele dagen moeten wachten. Jeanne slikte haar teleurstelling weg, toen ze zag dat Jean de Metz haar een knipoog gaf. Bertrand zei achter haar: ‘Je bent nu officieel aangekomen. Het komt allemaal goed.’

In de herberg deelde Jeanne het bed met de waardin. Een bed delen was heel gewoon in die tijd. Reizigers die wildvreemd voor elkaar waren troffen elkaar op dezelfde kamer, met één simpel bed. Dan mocht je blij zijn, want hotels waren er niet en als je een gewoon mens was moest je meestal op de grond slapen.

Jeanne wachtte, hoewel ze niet begreep waarom. Orléans werd belegerd, de stad die midden op de Loire-linie lag tussen het Engels-Bourgondische noorden en het Fransgezinde zuiden. Orléans was de sleutel van Frankrijk! Van haar stemmen wist ze dat ze voor de redding van Frankrijk niet veel tijd had. Twee jaar hooguit. Dat had ze de dauphin via Robert de Baudricourt laten weten. Waarom riep hij haar dan niet?

Eigenlijk wist ze het, diep in haar hart. Ze had tien dagen met mannen gereisd die haar goedgezind waren. Met haar zeventien jaar had ze zich afzijdig gehouden, maar wel veel geluisterd. Het lot van Frankrijk ging deze mannen aan het hart, o zeker. Maar er waren nog zoveel andere dingen die belangrijk voor hen waren. Hun positie in het leger. Hun irritaties over elkaar die ze nooit uitspraken, maar die wel voelbaar waren. Vrouwen, hoewel ze daar tegen Jeanne nooit iets over zeiden. En vooral was Jeanne opgevallen hoe ze over de oorlog spraken als iets dat hun loopbaan beïnvloedde. Als haar vrienden zo weinig doelgericht met de dingen bezig waren, hoe zou het dan aan het hof wel zijn? Daar zaten de verschillende belangen elkaar nog veel meer in de weg!’

Belle keek haar kleindochter aan.

‘Dit is een eigenschap van Jeanne die altijd een beetje weggemoffeld is. Iedereen heeft het over haar braafheid, dat ze zo vroom was en de soldaten leerde niet meer te vloeken. Maar dat was niet wat haar zo bijzonder maakte. Ze was helder. Helder temidden van mensen die zichzelf kwijt waren. Ze doorzag mensen, en ook al had ze geen scholing en geen fijne manieren, ze wist precies wat ze aan iemand had.

Ach, zei ze tot zichzelf, waarom zou ik niet nog wat geduld hebben? De stemmen hadden gezegd dat ik met de vastentijd bij de dauphin zou zijn. Nou, de vastentijd is nog niet afgelopen en ik ben al in Chinon. Kom op, Jeanne!

Kom op, dat kon ze zo goed zeggen. Dan bedoelde ze eigenlijk ‘Kop op’, en dat had ze die jaren wel nodig ook. Dus toen Jeanne na een paar dagen gesommeerd werd om voor de dauphin te verschijnen, alleen, zonder haar vrienden Jean en Bertrand, toen sprak ze zichzelf op dezelfde manier vertrouwen in. Kom op! Zo ging ze door de poort, in haar mannenkleren. Zo ging ze langs de wacht, die er prachtig en vervaarlijk uitzag. Zo ging ze door grote zalen en lange gangen waar alles nieuw en overweldigend voor haar was. Zo liep ze langs groepen mensen die elkaar aanstootten, of giechelden, of haar geen blik waardig keurden. En zo betrad ze de grote zaal, waar haar naam werd afgeroepen en waar ze een grote groep edelen, geestelijken en hovelingen verzameld zag.

Waar was de koning die ze moest kronen, Karel VII, de dauphin?

Hem moest ze buigend tegemoet treden, en voor hem knielen. Maar was dat de man om wie het ging, die daar op de troon zat? Hij was gezet en groot, en hoewel hij glimlachte was zijn uitdrukking geniepig. Ze keek langs de aanwezigen, verward. Dit was niet hoe ze het zich had voorgesteld. De moed zonk haar in de schoenen.

En toen zag ze hem, aan de zijkant. De brandende ogen in dat witte gezicht, de magere, bijna kromme gestalte. Zou dat hem zijn? Ze had nooit een portret of beeld van hem gezien, en kende behalve de koerier die haar naar Chinon had gebracht niemand die over hem kon vertellen. Ze besloot zichzelf te vertrouwen. Die man trok haar aandacht, dan moest dat de dauphin zijn.

Zonder aarzelen liep ze nu naar de man aan de zijkant van de menigte en knielde voor hem neer.

  Het verhaal van Jeanne werd al in 1928 verfilmd door Carl Th. Dreyer
met in de hoofdrol Annie Girardot.

Terug