Citaat uit
De zoon van de vuurgeest
Hoofdstuk 1

Citaat uit 'de zoon van de vuurgeest'

 

MESSIRE

DE KOMST VAN GUATTARAL
Brechtje
De Zoon van de vuurgeestRobin

Achtergrondinformatie
Sir Walter Raleigh

HET GROENE GEN

JEANNE D'ARC

HET ZWARTE SCHIP

VERBODEN VRIENDSCHAP

CURSUSSEN OP MAAT

OVER ELS LAUNSPACH

PERS

 

‘Een enorm donker ding dook op, gekromd en glanzend. Zo hoog als de grootste palm. Zo breed als een heel dorp. Bewegend en krakend als het godenhuis in de regentijd, wanneer het wordt gegeseld door de wind. Maar dit was in de genadeloze zon, op de enorme watervlakte! Er staken horens boven het monster uit. Ze priemden boven een groot bubbelend oppervlak, lichtgrijs, soepel bengelend en ploffend in de hitte. Wolken?
Tegenover mij in de kano zat een geest. Hij had een grijswitte baard zoals alleen Maiwiri draagt, en vreemde lichte ogen. Die ogen namen me onderzoekend op. Ze waren blauwer dan de lucht, groener dan het water. Het vel van de geest was wit, zoals de grote houtwormen die wij roosteren in het vuur. Het gezicht bewoog. De mond sprak maar ik kon niets verstaan. Ik was verlamd van schrik. Heen en weer deinden we, alles bewoog en kraakte en golfde. De geest glimlachte. In zijn hand hield hij het mooiste masker dat ik ooit gezien heb. Een masker van riet en blauwe veren. Hij zette het op. Toen strekte hij zijn hand en liet vuur oplichten.’
Guaiquiriquiri zweeg. De gezichten stonden nadenkend. Iedere inwoner van het dorp was door het verhaal geraakt, dat kon je zien. Hij zag tranen blinken in de ogen van zijn ouders. Gespannen keek hij de medicijnman aan, die bedachtzaam opstond en hem bij de hand nam. De hoepeltjes om zijn middel rinkelden. Elk woord werd gewikt, gewogen en opgezogen als druppels regen in het zand.
‘De Grote Maiwiri vertoont zich soms als de gekuifde arend die apen uit de bomen plukt en soms als een witte geest. Hij is ons dorp goedgezind.
Guaiquiriquiri zal reizen. Door Guaiquiriquiri zal Maiwiri zijn weldaden over ons uitstorten!’
De medicijnman omarmde hem. Een oorverdovend tumult barstte los en zijn hart sprong bijna uit elkaar van trots. Zijn vader en moeder keken stil naar hem.
Naar hem, Guaiquiriquiri! Hun lippen trilden. Ze strekten hun armen naar hem uit. Hij liet zich meevoeren in de beroering. Raquiri en Micoquiri waren zo stevig als de palen van hun hut. Hij kroop weg tussen hun warme lichamen in de kring, gelukkig en veilig. Er stond eten klaar. De trommels riepen al op voor het grote feest van die dag. Maar in hem klopte een doffe pijn, waar hij niets over kon vertellen.