| |
De voorsten
lopen rustig en waardig, zoals Roosje Vos, een kleine gestalte met
vouwen in haar gezicht en een lief knotje.
‘ Net een monster, vind je niet?’ zegt iemand naast Jo. Marie, de
jongste van de bond, beweegt haar hoofd naar de zwarte locomotief.
Jo knikt. Als ze een wagon betreden, met de dieprode pluche banken, te mooi om
waar te zijn, gaat ze naast Marie zitten. En meteen gaat er een schokje door
de trein. ‘Hij gaat!’ gilt
Sani. Zo kent Jo haar grote zus niet, zo opgewonden, met een
blos op haar
wangen.
Alle acht kijken ze strak naar buiten. Rechts het IJ, links de
houttuinen. Amsterdam is totaal anders dan ze gewend zijn. De wagon
glijdt op ribbels
door de stad, door wijken waar ze nog nooit zijn geweest. Een molen,
een fabriek, nog een molen en dan de polder. De trein snelt langs
de trekvaart
waar de schuiten bliksemsnel achterblijven. Torens doemen op aan de
horizon, ze gaan er recht op af. ‘Wat is de eerstvolgende
stop?’
‘
Haarlem,’ antwoordt Roosje Vos schuin tegenover hen bij het gangpad.
Haar lichtbruine ogen kijken geamuseerd en belangstellend. ‘Dus jij
bent Jo?’ vraagt ze.
Jo krijgt het gevoel dat ze als een compleet plaatje in Roosje’s
hoofd verdwijnt.
‘
Ja…, pardon!’ stamelt ze.
‘
Niks pardon,’ glimlacht Roosje. Enkele donkerbruine krullen zijn
uit haar kapsel losgesprongen. ‘We zijn allemaal van de kook,’ voegt
ze toe. ‘Deze dag brengt zoveel nieuwe dingen.’
Zo is het. Er gloeit iets in Jo: een kacheltje dat niet alleen warmte maar
ook licht geeft. Dat ze dit meemaakt! Langs Marie kijkt ze uit het raam
naar de polders, de sloten en andere dingen die voorbij bewegen; sommige
langzaam zoals een paard en een hek in de verte, en andere snel zoals een
seinpaal of een straat. Ze kan er geen genoeg van krijgen.
Als ze Haarlem voorbij zijn beginnen Nel, Anna en Sani te zingen. Louise
en Trees vallen in. Natuurlijk, een lied van de bond waarvan Jo de melodie
wel kent, want thuis jodelt Sani soms maar door, om tureluurs van te worden.
Jo is niet van plan mee te doen. Zij is hier toevallig. Heus geen lid van
de bond, en als ze groot is ook niet plan het te worden. Eenmaal Prijes
is genoeg.
Rechts liggen kleurige linten tussen lange blokken groen.
‘
Daar worden bloemen verbouwd,’ vertelt Roosje Vos. ‘Toen
ik de eerste keer naar Den Haag ging heb ik het gevraagd aan de conducteur.’
Daarachter zien ze een doorgaande, golvende lijn.
‘
De duinen!’ mompelt Marie voor zich uit.
‘
Bedoel je… dat daarachter de zee is?’ Jo staat paf.
‘
Dat moet wel,’ antwoordt Marie dromerig.
‘
Inderdaad, daar is de zee.’ Sani loert naar Roosje. ‘En…’ Ze
pauzeert voor het effect, dat kent Jo wel. ‘En als het meezit
gaan we daar vanmiddag naar toe!’
Tussen de uitroepen door grinnikt Roosje Vos zelf: ‘Laat me nou
maar, ik kan het ook niet geloven.’
‘
Naar de zee?’ vraagt Jo. ‘Hoe kan dat nou?’
‘
Bij Den Haag is ook zee,’ klinkt Sani meteen uit de hoogte maar Jo
vindt het dit keer geen punt. Ze krijgt…, ze krijgt….!
Het wil maar niet aankomen in haar hoofd. Ze krijgt vanmiddag de zee
te zien!
Haar voeten zwiepen tegen de grond en midden in de wagon steekt ze
haar armen in de lucht.
‘
De zee!’ schreeuwt ze.
Iedereen lacht, ook Sani. Natuurlijk, juist Sani. Jo krijgt het opeens
warm en zou wel willen huilen. Ze heeft zich aangesteld. Zes hoedjes en
Marie, ze lachen allemaal om haar. Met gloeiende wangen gaat ze zitten
en houdt zich verder muisstil. Ze wil het vergeten. Haar gedachten rennen
getjoem-getjoem-getjoem samen met de wielen van de trein. Naar Leiden.
Getjoem, getjoem, getjoem. Nog een paar haltes en tenslotte Den Haag. Weer
een groot station, dan de paardentram; steeds verder rollen ze de stad
in totdat ze uitstappen bij een open plek waar een gloednieuw gebouw staat.
Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, staat er in koeienletters
boven de ruitjes in de deur. En daar gaan zij naar binnen!
Eerst schuift Jo achter het groepje aan, maar dan houdt Marie haar
pas in, zodat ze samen kunnen lopen. Vooruit, ik hoor er een ietsjepietsje
bij, peinst Jo. Bij deze club naaisters die op eigen houtje naar Den
Haag is gekomen. Het duurt lang om door de rij wachtenden heen te komen.
Maar
dan, tussen die hoge muren, op het krakende parket, in het gegons van
grote zalen vol mensen, gaat er een wereld voor hen open. Complete
werkplaatsen
waar iedereen kan zien wat voor arbeid dat is: garnalenpellen, kantklossen,
lompensorteren, turfsteken, sigarenmaken, haringspiesen, lucifersmaken.
Er komt geen eind aan. Spinnerijen, tapijtfabrieken, steenfabrieken.
Een
strijkinrichting, een bibliotheek, een restaurant, een kwekerij, een
diamantslijperij. En een foto – een foto, meteen aan moeder vertellen, zoiets heeft
Jo nog nooit gezien – van telefonistes in Amerika.
‘
Ik wist niet dat er zoveel…’ Marie staat stil, helemaal overdonderd.
‘…
Vrouwenarbeid was,’ zegt Jo op hetzelfde moment.
Ze staan midden in de Industriezaal, het publiek als een draaikolk om hen
heen.
‘
Daar!’ De arm van Marie wijst naar een bordje met de woorden Algemeene
Nederlandse Naaistersbond erop. ‘Dat zijn wij!’
Energiek loopt ze voor Jo uit, maar in het betreffende kabinetje heerst
een vreemde stilte. Enkele dames staan te fluisteren bij een tafel waar
kaartjes onder de producten van naaisters zijn gelegd.
‘
Ach…!’
‘ Ja, zo is het.’
‘ Cecile, ik las er al over in de krant. Bloedlonen!’
Nu ziet Jo het zelf. Geborduurde nachtjapon: naailoon 25 cent te Nijmegen,
verkoopprijs f 3,25. Schortje: naailoon 2 cent te Amsterdam, voor die
2 cent moet de werkster het garen ook nog leveren. Werktijd voor 1 schortje
1 ½ uur.
‘
De gruweltafel, dat heeft Roosje Vos bedacht,’ fluistert Marie. ‘Vind
je het niet geweldig?’
De dame die Cecile werd genoemd, kijkt op. ‘Zijn jullie van de naaistersbond?’ vraagt
ze.
Marie knikt verlegen.
‘
Ik ben Cecile Goekoop de Jong van Beek en Donk,’ zegt de dame. ‘Deze
mevrouw is van de krant. Kun je aan haar uitleggen waarom je lid bent
geworden?’
‘
Ehh…’ stamelt Marie. ‘Ik was de jongste bij Frankfort
en alle naaisters gingen twee cent minder in het uur verdienen… Niet
zomaar leerlingen en loopmeisjes, maar ook eerste, tweede en derde
naaisters. En het was al zo weinig. Toen ben ik naar de patroon gegaan.’
‘
Jij, als jongste?’ vraagt de mevrouw van de krant. ‘Wat dapper!’
Marie buigt verlegen haar hoofd. ‘Ik heb 1 cent minder loonsverlaging
aan de patroon gevraagd. En hij begon tegen me uit te varen dat ik
addergebroed was.’
‘
Stel je voor,’ zegt mevrouw Cecile tegen haar vriendin. ‘Addergebroed
tegen zo’n klein ding die vraagt om 1 cent minder loonsverlaging!’
‘
Wat een bestaan!’ vindt de mevrouw van de krant. De dames raken in
een verhit gesprek waarbij Marie en Jo een beetje worden vergeten. Er komen
meer dames bij staan en het ‘ach’en ‘wee’ is
niet van de lucht. Marie en Jo, toch al naar de rand van het kabinetje
gedrongen,
glippen weg op zoek naar hun reisgenoten, verspreid in de grote ruimten.
Zo wijzen Anna en Sani elkaar hoe het fietskostuum is gemaakt van een damespop
die boven alles uitsteekt. Ze zouden de stof zo binnenstebuiten willen
draaien.
‘
Het hangt ervan af hoe het beleg is gemaakt,’ zegt Anna.
‘
Wat een snit!’ Sani’s handen glijden over de heupen. ‘In
zo’n kostuum zou ik de wereld aankunnen.’
‘
Dan moet je eerst nog leren fietsen,’ komt Jo ertussen.
De glimlach van Sani verdwijnt. Heeft ze alweer iets verkeerds gezegd?
‘
We gaan toch wel naar zee?’ zegt Marie dringend.
Sani kijkt haar peinzend aan. ‘Dan moeten we zo langzamerhand weg.
Waarschuw iedereen dat we over een half uur bij de ingang staan.’

Een
zachtgele vlakte strekt zich voor Jo en Marie uit als ze het laatste duin
hebben beklommen. Aan weerszijden buigt een vreemde grassoort in de wind,
harde spitse bladeren die zomaar uit het zand omhoog steken. In de verte
rimpelt een groot stuk blauw. Maar het meest ontzagwekkend zijn de golven
vlak bij het strand. Ze springen naar voren en trekken zich terug, opnieuw
naar voren, dan weer terug, bewegend in een eindeloze rij.
Jo grijpt Marie bij de hand. ‘Zullen we?’ Snel kijken ze om
naar de groep naaisters die het duin beklimt.
‘ Tot zo!’ schreeuwt Marie en rennend naar beneden trekt ze
Jo mee. Met de armen wijd en zulke stappen dat ze bijna hun rok kapot
trappen, denderen ze naar de zee toe, steeds dichter naar het springende
en zuigende geluid. Een meter voor de verste golf blijven ze staan.
‘ Niet zo dichtbij!’ schreeuwt Marie. Maar Jo vindt het geweldig
om midden in dat geluid te staan: stenen en schelpen die ploffend worden
meegetrokken totdat een nieuwe krul uit het water omhoog komt om ruisend
neer te storten.
Dit is de zee…! Als ze omkijkt naar de huiverende Marie ziet ze
verderop de flapperende jassen van de naaisters. Ze proberen in de luwte
van het duin een plekje te vinden waar de wind niet aan hun hoeden rukt.
Een eind naar links steekt de pier van Scheveningen sierlijk de zee in,
net een reuzenvogel die met hoge poten in het kolkende water staat.
‘ Gaan we daar op?’ vraagt Jo zodra zij zich bij de anderen
voegen.
‘ Natuurlijk,’ antwoordt Roosje Vos die met haar gedachten
duidelijk ergens anders is. Ze steekt haar arm uit. ‘Moeten jullie
kijken, een badpak!’ Rechts voor hen staat nu een lange vrouw met
haar benen in het water. Haar romp is met een laagje gestreepte stof bedekt,
maar vanaf haar bovenarmen en dijbenen is ze bloot.
‘ Zo kun je je toch niet vertonen!’ giechelt Sani.
‘ Juist wel,’ zegt Roosje Vos. Haar ogen schitteren. ‘Alles
gaat veranderen! Ik wed dat jij over een paar jaar…’
‘ Oh nee!’ roept Sani.
‘ Oh ja!’ lacht Roosje Vos.
‘ Wat eigenlijk?’ vraagt Jo. Dat ze dit durft.
‘ Ik wed dat jullie over een paar jaar ook met je blote benen in
het water staan!’ grinnikt Roosje.
‘ Misschien wel, maar niet in zo’n raar pakje!’ meent
Nel. ‘Lijkt me trouwens lastig om te maken.’
‘ Mannen dragen ze ook, kijk, daar!’
‘ Ik zie m’n verloofde al,’ giert Anna.
‘ Zeg! Ik weet een kostuum waar je nog geen uur aan hoeft te werken.’
Sani kijkt geheimzinnig.
‘ Wat dan?’
‘ Een Adamskostuum!’
Anna wordt rood. ‘Dat is niet netjes.’
Jo stoot Marie aan die naast haar is neergeploft. ‘Snap jij het?’
‘ Nee.’ De wind gooit blonde haren over Marie’s ogen.
‘ Vraag eens wat dat is.’
‘ Doe het zelf! Het is jouw zus.’
‘ Juist daarom,’ zegt Jo zachtjes. ‘Ze weet het altijd
beter. Marie schudt haar hoofd.
Dan niet. Jo dacht echt dat Marie ook nieuwsgierig was. ‘Wat is
een Adamskostuum, Sani?’ vraagt Marie na een paar minuten, waarin
iedereen lijkt af te wachten.
‘ Daar zijn jullie te jong voor,’ zegt Sani.
‘ Wat gemeen!’ roept Roosje Vos. Ze buigt naar voren zodat
ze Marie en Jo kan zien. ‘Dat is het kostuum waar de allereerste
mens in rondliep.’
Marie en Jo kijken elkaar aan.
‘ En wie was de allereerste mens, Jodiejufferflut?’
De toon van Sani!
Alle ogen zijn op Jo gericht maar ze zet door: ‘Adam…?’
‘ En wie was dat?’ grinnikt Sani. Wat heeft ze het naar haar
zin. ‘Een man of een vrouw?’
Dat weet Jo toevallig wel! ‘Een man.’
Het gegiechel neemt toe. Ze vertrouwt het niet helemaal.
‘ Maar… bestonden er toen al kleren?’ aarzelt ze.
‘ Nee!’ Sani brult van het lachen. Roosje, Anna en Nel zitten
met een brede glimlach te kijken.
‘ In Adamskostuum betekent dus…’ begint Sani.
‘ Een man, helemaal… bloot!’ giert Louise.
Nu liggen ze allemaal dubbel, behalve Jo en Marie.
Marie laat zich zakken en legt haar armen wijd op het zand. ‘Wat
een heerlijke dag!’
Jo zegt niets, ze bijt nog liever haar tong af.

|