MESSIRE

DE KOMST VAN GUATTARAL
Brechtje
De Zoon van de vuurgeest
Robin

HET GROENE GEN

JEANNE D'ARC

HET ZWARTE SCHIP

VERBODEN VRIENDSCHAP

CURSUSSEN OP MAAT

OVER ELS LAUNSPACH

PERS

 

 

CITAAT - VERBODEN VRIENDSCHAP

5. Adamskostuum.

Jo voelt het al als ze op het perron door de stoomwolken loopt vlak achter Sani. Moeder krijgt gelijk. Spookachtig en tegelijk zo spannend. Het grote gebouw in het IJ dat ze alleen uit de verte kende, met de stalen overkapping en de bonkende slangen die er dagelijks tot stilstand kwamen, ze ziet het nu van binnen. Een ongelooflijk grote hal. Loketten, trappen, drukte. Wagons, dichtklappende deuren en gesis. Iedereen is zenuwachtig. Ze kent geen van deze vrouwen. Sommigen zijn giechelig, zoals Louise die zich zojuist heeft voorgesteld. Anderen gedragen zich elegant en wereldwijs.

 

.

.

.

 

De voorsten lopen rustig en waardig, zoals Roosje Vos, een kleine gestalte met vouwen in haar gezicht en een lief knotje.
‘ Net een monster, vind je niet?’ zegt iemand naast Jo. Marie, de jongste van de bond, beweegt haar hoofd naar de zwarte locomotief.
Jo knikt. Als ze een wagon betreden, met de dieprode pluche banken, te mooi om waar te zijn, gaat ze naast Marie zitten. En meteen gaat er een schokje door de trein.
‘Hij gaat!’ gilt Sani. Zo kent Jo haar grote zus niet, zo opgewonden, met een blos op haar wangen.
Alle acht kijken ze strak naar buiten. Rechts het IJ, links de houttuinen. Amsterdam is totaal anders dan ze gewend zijn. De wagon glijdt op ribbels door de stad, door wijken waar ze nog nooit zijn geweest. Een molen, een fabriek, nog een molen en dan de polder. De trein snelt langs de trekvaart waar de schuiten bliksemsnel achterblijven. Torens doemen op aan de horizon, ze gaan er recht op af. ‘Wat is de eerstvolgende stop?’
‘ Haarlem,’ antwoordt Roosje Vos schuin tegenover hen bij het gangpad. Haar lichtbruine ogen kijken geamuseerd en belangstellend. ‘Dus jij bent Jo?’ vraagt ze.
Jo krijgt het gevoel dat ze als een compleet plaatje in Roosje’s hoofd verdwijnt.
‘ Ja…, pardon!’ stamelt ze.
‘ Niks pardon,’ glimlacht Roosje. Enkele donkerbruine krullen zijn uit haar kapsel losgesprongen. ‘We zijn allemaal van de kook,’ voegt ze toe. ‘Deze dag brengt zoveel nieuwe dingen.’
Zo is het. Er gloeit iets in Jo: een kacheltje dat niet alleen warmte maar ook licht geeft. Dat ze dit meemaakt! Langs Marie kijkt ze uit het raam naar de polders, de sloten en andere dingen die voorbij bewegen; sommige langzaam zoals een paard en een hek in de verte, en andere snel zoals een seinpaal of een straat. Ze kan er geen genoeg van krijgen.
Als ze Haarlem voorbij zijn beginnen Nel, Anna en Sani te zingen. Louise en Trees vallen in. Natuurlijk, een lied van de bond waarvan Jo de melodie wel kent, want thuis jodelt Sani soms maar door, om tureluurs van te worden. Jo is niet van plan mee te doen. Zij is hier toevallig. Heus geen lid van de bond, en als ze groot is ook niet plan het te worden. Eenmaal Prijes is genoeg.
Rechts liggen kleurige linten tussen lange blokken groen.
‘ Daar worden bloemen verbouwd,’ vertelt Roosje Vos. ‘Toen ik de eerste keer naar Den Haag ging heb ik het gevraagd aan de conducteur.’
Daarachter zien ze een doorgaande, golvende lijn.
‘ De duinen!’ mompelt Marie voor zich uit.
‘ Bedoel je… dat daarachter de zee is?’ Jo staat paf.
‘ Dat moet wel,’ antwoordt Marie dromerig.
‘ Inderdaad, daar is de zee.’ Sani loert naar Roosje. ‘En…’ Ze pauzeert voor het effect, dat kent Jo wel. ‘En als het meezit gaan we daar vanmiddag naar toe!’
Tussen de uitroepen door grinnikt Roosje Vos zelf: ‘Laat me nou maar, ik kan het ook niet geloven.’
‘ Naar de zee?’ vraagt Jo. ‘Hoe kan dat nou?’
‘ Bij Den Haag is ook zee,’ klinkt Sani meteen uit de hoogte maar Jo vindt het dit keer geen punt. Ze krijgt…, ze krijgt….! Het wil maar niet aankomen in haar hoofd. Ze krijgt vanmiddag de zee te zien! Haar voeten zwiepen tegen de grond en midden in de wagon steekt ze haar armen in de lucht.
‘ De zee!’ schreeuwt ze.
Iedereen lacht, ook Sani. Natuurlijk, juist Sani. Jo krijgt het opeens warm en zou wel willen huilen. Ze heeft zich aangesteld. Zes hoedjes en Marie, ze lachen allemaal om haar. Met gloeiende wangen gaat ze zitten en houdt zich verder muisstil. Ze wil het vergeten. Haar gedachten rennen getjoem-getjoem-getjoem samen met de wielen van de trein. Naar Leiden. Getjoem, getjoem, getjoem. Nog een paar haltes en tenslotte Den Haag. Weer een groot station, dan de paardentram; steeds verder rollen ze de stad in totdat ze uitstappen bij een open plek waar een gloednieuw gebouw staat. Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, staat er in koeienletters boven de ruitjes in de deur. En daar gaan zij naar binnen!
Eerst schuift Jo achter het groepje aan, maar dan houdt Marie haar pas in, zodat ze samen kunnen lopen. Vooruit, ik hoor er een ietsjepietsje bij, peinst Jo. Bij deze club naaisters die op eigen houtje naar Den Haag is gekomen. Het duurt lang om door de rij wachtenden heen te komen. Maar dan, tussen die hoge muren, op het krakende parket, in het gegons van grote zalen vol mensen, gaat er een wereld voor hen open. Complete werkplaatsen waar iedereen kan zien wat voor arbeid dat is: garnalenpellen, kantklossen, lompensorteren, turfsteken, sigarenmaken, haringspiesen, lucifersmaken. Er komt geen eind aan. Spinnerijen, tapijtfabrieken, steenfabrieken. Een strijkinrichting, een bibliotheek, een restaurant, een kwekerij, een diamantslijperij. En een foto – een foto, meteen aan moeder vertellen, zoiets heeft Jo nog nooit gezien – van telefonistes in Amerika.
‘ Ik wist niet dat er zoveel…’ Marie staat stil, helemaal overdonderd.
‘… Vrouwenarbeid was,’ zegt Jo op hetzelfde moment.
Ze staan midden in de Industriezaal, het publiek als een draaikolk om hen heen.
‘ Daar!’ De arm van Marie wijst naar een bordje met de woorden Algemeene Nederlandse Naaistersbond erop. ‘Dat zijn wij!’
Energiek loopt ze voor Jo uit, maar in het betreffende kabinetje heerst een vreemde stilte. Enkele dames staan te fluisteren bij een tafel waar kaartjes onder de producten van naaisters zijn gelegd.
‘ Ach…!’
‘ Ja, zo is het.’
‘ Cecile, ik las er al over in de krant. Bloedlonen!’
Nu ziet Jo het zelf. Geborduurde nachtjapon: naailoon 25 cent te Nijmegen, verkoopprijs f 3,25. Schortje: naailoon 2 cent te Amsterdam, voor die 2 cent moet de werkster het garen ook nog leveren. Werktijd voor 1 schortje 1 ½ uur.
‘ De gruweltafel, dat heeft Roosje Vos bedacht,’ fluistert Marie. ‘Vind je het niet geweldig?’
De dame die Cecile werd genoemd, kijkt op. ‘Zijn jullie van de naaistersbond?’ vraagt ze.
Marie knikt verlegen.
‘ Ik ben Cecile Goekoop de Jong van Beek en Donk,’ zegt de dame. ‘Deze mevrouw is van de krant. Kun je aan haar uitleggen waarom je lid bent geworden?’
‘ Ehh…’ stamelt Marie. ‘Ik was de jongste bij Frankfort en alle naaisters gingen twee cent minder in het uur verdienen… Niet zomaar leerlingen en loopmeisjes, maar ook eerste, tweede en derde naaisters. En het was al zo weinig. Toen ben ik naar de patroon gegaan.’
‘ Jij, als jongste?’ vraagt de mevrouw van de krant. ‘Wat dapper!’
Marie buigt verlegen haar hoofd. ‘Ik heb 1 cent minder loonsverlaging aan de patroon gevraagd. En hij begon tegen me uit te varen dat ik addergebroed was.’
‘ Stel je voor,’ zegt mevrouw Cecile tegen haar vriendin. ‘Addergebroed tegen zo’n klein ding die vraagt om 1 cent minder loonsverlaging!’
‘ Wat een bestaan!’ vindt de mevrouw van de krant. De dames raken in een verhit gesprek waarbij Marie en Jo een beetje worden vergeten. Er komen meer dames bij staan en het ‘ach’en ‘wee’ is niet van de lucht. Marie en Jo, toch al naar de rand van het kabinetje gedrongen,
glippen weg op zoek naar hun reisgenoten, verspreid in de grote ruimten. Zo wijzen Anna en Sani elkaar hoe het fietskostuum is gemaakt van een damespop die boven alles uitsteekt. Ze zouden de stof zo binnenstebuiten willen draaien.
‘ Het hangt ervan af hoe het beleg is gemaakt,’ zegt Anna.
‘ Wat een snit!’ Sani’s handen glijden over de heupen. ‘In zo’n kostuum zou ik de wereld aankunnen.’
‘ Dan moet je eerst nog leren fietsen,’ komt Jo ertussen.
De glimlach van Sani verdwijnt. Heeft ze alweer iets verkeerds gezegd?
‘ We gaan toch wel naar zee?’ zegt Marie dringend.
Sani kijkt haar peinzend aan. ‘Dan moeten we zo langzamerhand weg. Waarschuw iedereen dat we over een half uur bij de ingang staan.’

Een zachtgele vlakte strekt zich voor Jo en Marie uit als ze het laatste duin hebben beklommen. Aan weerszijden buigt een vreemde grassoort in de wind, harde spitse bladeren die zomaar uit het zand omhoog steken. In de verte rimpelt een groot stuk blauw. Maar het meest ontzagwekkend zijn de golven vlak bij het strand. Ze springen naar voren en trekken zich terug, opnieuw naar voren, dan weer terug, bewegend in een eindeloze rij.
Jo grijpt Marie bij de hand. ‘Zullen we?’ Snel kijken ze om naar de groep naaisters die het duin beklimt.
‘ Tot zo!’ schreeuwt Marie en rennend naar beneden trekt ze Jo mee. Met de armen wijd en zulke stappen dat ze bijna hun rok kapot trappen, denderen ze naar de zee toe, steeds dichter naar het springende en zuigende geluid. Een meter voor de verste golf blijven ze staan.
‘ Niet zo dichtbij!’ schreeuwt Marie. Maar Jo vindt het geweldig om midden in dat geluid te staan: stenen en schelpen die ploffend worden meegetrokken totdat een nieuwe krul uit het water omhoog komt om ruisend neer te storten.
Dit is de zee…! Als ze omkijkt naar de huiverende Marie ziet ze verderop de flapperende jassen van de naaisters. Ze proberen in de luwte van het duin een plekje te vinden waar de wind niet aan hun hoeden rukt. Een eind naar links steekt de pier van Scheveningen sierlijk de zee in, net een reuzenvogel die met hoge poten in het kolkende water staat.
‘ Gaan we daar op?’ vraagt Jo zodra zij zich bij de anderen voegen.
‘ Natuurlijk,’ antwoordt Roosje Vos die met haar gedachten duidelijk ergens anders is. Ze steekt haar arm uit. ‘Moeten jullie kijken, een badpak!’ Rechts voor hen staat nu een lange vrouw met haar benen in het water. Haar romp is met een laagje gestreepte stof bedekt, maar vanaf haar bovenarmen en dijbenen is ze bloot.
‘ Zo kun je je toch niet vertonen!’ giechelt Sani.
‘ Juist wel,’ zegt Roosje Vos. Haar ogen schitteren. ‘Alles gaat veranderen! Ik wed dat jij over een paar jaar…’
‘ Oh nee!’ roept Sani.
‘ Oh ja!’ lacht Roosje Vos.
‘ Wat eigenlijk?’ vraagt Jo. Dat ze dit durft.
‘ Ik wed dat jullie over een paar jaar ook met je blote benen in het water staan!’ grinnikt Roosje.
‘ Misschien wel, maar niet in zo’n raar pakje!’ meent Nel. ‘Lijkt me trouwens lastig om te maken.’
‘ Mannen dragen ze ook, kijk, daar!’
‘ Ik zie m’n verloofde al,’ giert Anna.
‘ Zeg! Ik weet een kostuum waar je nog geen uur aan hoeft te werken.’ Sani kijkt geheimzinnig.
‘ Wat dan?’
‘ Een Adamskostuum!’
Anna wordt rood. ‘Dat is niet netjes.’
Jo stoot Marie aan die naast haar is neergeploft. ‘Snap jij het?’
‘ Nee.’ De wind gooit blonde haren over Marie’s ogen.
‘ Vraag eens wat dat is.’
‘ Doe het zelf! Het is jouw zus.’
‘ Juist daarom,’ zegt Jo zachtjes. ‘Ze weet het altijd beter. Marie schudt haar hoofd.
Dan niet. Jo dacht echt dat Marie ook nieuwsgierig was. ‘Wat is een Adamskostuum, Sani?’ vraagt Marie na een paar minuten, waarin iedereen lijkt af te wachten.
‘ Daar zijn jullie te jong voor,’ zegt Sani.
‘ Wat gemeen!’ roept Roosje Vos. Ze buigt naar voren zodat ze Marie en Jo kan zien. ‘Dat is het kostuum waar de allereerste mens in rondliep.’
Marie en Jo kijken elkaar aan.
‘ En wie was de allereerste mens, Jodiejufferflut?’
De toon van Sani!
Alle ogen zijn op Jo gericht maar ze zet door: ‘Adam…?’
‘ En wie was dat?’ grinnikt Sani. Wat heeft ze het naar haar zin. ‘Een man of een vrouw?’
Dat weet Jo toevallig wel! ‘Een man.’
Het gegiechel neemt toe. Ze vertrouwt het niet helemaal.
‘ Maar… bestonden er toen al kleren?’ aarzelt ze.
‘ Nee!’ Sani brult van het lachen. Roosje, Anna en Nel zitten met een brede glimlach te kijken.
‘ In Adamskostuum betekent dus…’ begint Sani.
‘ Een man, helemaal… bloot!’ giert Louise.
Nu liggen ze allemaal dubbel, behalve Jo en Marie.
Marie laat zich zakken en legt haar armen wijd op het zand. ‘Wat een heerlijke dag!’
Jo zegt niets, ze bijt nog liever haar tong af.